Beleidsplan

Inhoudsopgave


1. Inleiding


2. Algemene doelstelling
2.1. Visie op de kinderopvang
2.2. Visie op kinderopvang in een kinderdagverblijf
2.3. Visie op kwaliteit


3. Pedagogisch beleid
3.1. Uitgangspunten
3.2. Creëren van ontwikkelingsmogelijkheden
3.3. Lichamelijke ontwikkeling
3.4. Sociaal-emotionele ontwikkeling
3.5. Emotionele ontwikkeling
3.6. Cognitieve ontwikkeling
3.6.1. Taal
3.6.2. Denken
3.7. Creatieve ontwikkeling
3.8. Ontwikkeling identiteit
3.9. Zelfredzaamheid


4. Maatschappelijke bewustwording
4.1. Overbrengen van waarden en normen
4.2. Uitwisselen waarden en normen
4.3. Vooroordelen
4.4. Verschillen
4.5. Problemen en conflicten
4.6. Feesten en rituelen
4.7. Omgaan met rouwverwerking


5. Verzorging, gezondheid en veiligheid 
5.1. Maaltijden
5.2. Slapen
5.3. Gezondheids- en veiligheidsbeleid 
5.4. Ziektes en ongevallen 
5.5. Hygiëne

5.6  Veiligheid


6. Accommodatie en inrichting
6.1. Accommodatie
6.2. Inrichting


7. Ouderbeleid
7.1. Samenwerking met ouders
7.2. Betrokkenheid ouders
7.3. Uitwisseling informatie
7.4. Oudercommissie


8. Overige beleidsaspecten
8.1. Plaatsingsbeleid
8.2. Opvangaanbod
8.3. Flexibiliteit
8.4. Personeel
8.5. Contact met derden
8.6. Privacystatement
8.7. Meldcode geweld en kindermishandeling

8.8. Klachtenregeling 


1. Inleiding

Voor u ligt het beleidsplan van kinderopvang “Ons Marieke”.
Het beleidsplan is richtinggevend voor de dagelijkse opvangpraktijk. Het is geschreven voor alle bij de opvang betrokken partijen:

Ouders / verzorgers:
De ouders / verzorgers kunnen hiermee een beeld krijgen van de opvang die de kinderen wordt geboden, de wijze waarop de opvang is geregeld, de activiteiten die worden ondernomen en de manier waarop met de kinderen wordt omgegaan.

Leidsters:
Het pedagogisch beleid is tevens een richtlijn voor de leidsters zodat zij weten wat er van hen wordt verwacht. Daarnaast stimuleert het de leidster(s) om in de dagelijkse praktijk stil te staan bij het werk waardoor de kwaliteitsbewustheid wordt bevorderd.

Bedrijven en instellingen
Bedrijven en instellingen wordt inzicht gegeven in de manier van werken alsmede de kwaliteit en professionaliteit die “Ons Marieke” als kinderopvang biedt.


In dit beleidsplan wordt gesproken over “leidsters”en “zij” omdat in de opvang voornamelijk met vrouwelijke werknemers gewerkt wordt. Daarnaast worden leidsters in toenemende mate ook aangeduid als Pedagogisch Medewerkers. Hierbij kan een medewerker van verschillende sexen zijn en dient dit begrip derhalve als genderneutraal te worden uitgelegd. 

 

Jan van Mierlo
Januari 2019



2. Algemene doelstelling
“Ons Marieke” streeft er naar verantwoorde kinderopvang te bieden waarbij het welzijn van het kind centraal staat en waarbij het welzijn van de ouders tevens wordt bevorderd .


2.1. Algemene visie op de kinderopvang
Kinderopvang biedt aan kinderen de mogelijkheid om zich in een veilige omgeving in groepsverband te ontwikkelen. Voor ouders en verzorgers biedt kinderopvang de mogelijkheid om naast de opvoeding van de kinderen actief deel te nemen aan de maatschappij. Op deze wijze vervult kinderopvang een sociaal-maatschappelijke functie die kan bijdragen aan een hoger welzijn van de gemeenschap waarbinnen zij opereert.
Kinderopvang dient te voldoen aan de hoogst realiseerbare kwaliteitseisen en zorg te dragen voor optimale ontwikkelingskansen in een ontspannen sfeer. Tevens dient kinderopvang, voor zover mogelijk, tegemoet te komen aan de wensen van de ouders.


2.2. Visie op kinderopvang in een kinderdagverblijf
“Ons Marieke” streeft er naar een opvoedingsituatie te bieden die aansluitend en aanvullend is op de opvoedingssituatie thuis. In het kinderdagverblijf en de BSO ontmoeten kinderen andere kinderen in groepsverband. Het is een plaats waar kinderen leren omgaan met andere kinderen, door onder meer samen te spelen, te eten en te slapen. Door het omgaan met andere kinderen leren kinderen de uitwerking van hun gedrag op anderen kennen. Mede hierdoor krijgen kinderen inzicht in hun eigen gevoelens en leren ze een scala aan reactiemogelijkheden. Tevens leren kinderen al vroeg de betekenis van delen, helpen, rekening houden met de ander, omgaan met conflicten en opkomen voor je zelf.
Een pedagogisch plan vormt de basis van een optimale en zo breed mogelijke ontwikkeling van de kinderen.


De situatie in de dagopvang is er op gericht het kind in een op kinderen afgestemde omgeving en gezellige sfeer een prettige dag te laten doorbrengen, zodanig dat het kind zich er veilig en geborgen voelt. Hierbij wordt door de leidsters zowel in groepsverband als individueel bewust aangesloten op de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt.
Door de voortgang in ontwikkeling te monitoren en zonodig extra te stimuleren, kunnen de kinderen optimaal worden voorbereid op de basisschool. Om het ontwikkelingsproces en de sociale contacten ook buiten de opvang te stimuleren, vinden wij samenwerking met andere instanties in het opvoedings- en ontwikkelingsproces zeer belangrijk. “Ons Marieke” onderhoudt in dit kader contacten met consultatiebureaus, de Thuiszorg West-Brabant, logopedisten, de scholen die de kinderen bezoeken en overige instellingen die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling en ontspanning van kinderen.


Het kindercentrum neemt een deel van de opvoeding van de kinderen over. Ouders zijn echter medeverantwoordelijk voor de opvang van hun kinderen in het kinderdagverblijf en de BSO.
Daarom is het noodzakelijk om gegevens over de ontwikkeling van hun kind met de leidster(s) uit te wisselen. Daardoor worden wederzijdse inzichten over deze ontwikkeling en de opvoeding vergroot. Goede contacten tussen ouders en leiding is dus belangrijk. Tevens worden ouders actief betrokken bij de dagelijkse activiteiten van het kindercentrum.

Ouders mogen van de leidsters betrokkenheid bij het kind verwachten. Zij kunnen meedenken over opvoedingsvragen als ouders daaraan behoefte hebben. Daarnaast hebben de leidsters een signalerende functie ten aanzien van het welzijn en het functioneren van de kinderen.

Een kindercentrum is speciaal ingericht voor de kinderen en biedt daardoor andere mogelijkheden dan de thuissituatie. De accommodatie is aantrekkelijk, veilig en schoon.
Ook de buitenruimte achten wij zeer belangrijk. Een speelterrein moet leuk, uitdagend (zowel individueel als voor samenspel), sportief, educatief en zo natuurlijk mogelijk zijn. “Ons Marieke” beschikt daarom over kwalitatief hoogwaardige buitenspeelruimten met speelattributen die de kinderen uitdagen om te spelen en kinderen stimuleren hun eigen spelsituatie te ontwikkelen.


2.3. Visie op kwaliteit
“Ons Marieke” streeft naar een permanente verbetering van alle kwaliteitsaspecten. Dit houdt in dat voortdurend wordt gekeken hoe dingen (nog) beter kunnen en, binnen de algemene doelstelling van de opvang, (nog) beter kunnen worden afgestemd op de wensen van haar klanten (kinderen en hun ouders), personeel en maatschappelijke omgeving.
Om hiertoe in staat te zijn worden ontwikkelingen die een relatie hebben met de kinderopvang actief gevolgd en belanghebbende partijen naar hun bevindingen gevraagd.


3. Pedagogisch beleid


3.1. Uitgangspunten

Als basis voor het pedagogisch beleid gelden onderstaande uitgangspunten.
De opvoeding is gericht op de ontplooiing van een kind tot een zelfstandige, creatieve en kritische persoon en op het aanleren van sociale vaardigheden.


Elk kind heeft het recht om onvoorwaardelijk geaccepteerd te worden. Hoewel het noodzakelijk is om bepaald gedrag te verbieden, dienen gevoelens serieus genomen te worden. Een kind heeft recht op respect en moet de ruimte krijgen om zich op eigen wijze te ontwikkelen. In het kinderdagverblijf mag geen verbaal of fysiek geweld gebruikt worden.


Een kind heeft basisbehoeften, zoals de behoefte aan voeding, slaap, aandacht en genegenheid. Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk aan deze behoeften te voldoen.


Het is belangrijk dat een kind zich veilig en geborgen voelt. Een kind moet bekend zijn met de leidsters, plaats en de wijze van opvang. Het streven is dat steeds dezelfde leidsters en kinderen in een groep aanwezig zijn.


Een kind heeft recht op individuele aandacht en zorg waarbij tevens rekening moet worden gehouden met het belang van de groep als geheel. Het individu mag niet lijden onder de groep, maar de groep mag ook niet lijden onder het individu.


3.2. Creëren van ontwikkelingsmogelijkheden
In de eerste vier jaar van het leven ontwikkelt een kind zich van hulploze baby tot een peuter en schoolkind. Een kind dat, als de ontwikkeling voorspoedig verlopen is, met zelfvertrouwen de wereld tegemoet treedt en zich aardig kan redden. De eerste jaren worden algemeen beschouwd als een cruciale periode voor de ontwikkeling van het kind op velerlei gebied.


De ontwikkeling van kinderen verloopt niet bij elk kind op dezelfde wijze. Ieder kind heeft een eigen tempo en kent bepaalde gebieden waarop het zich meer of minder ontwikkelt. Ieder kind heeft ook een groot potentieel aan mogelijkheden in zich. De situatie waarin het kind opgroeit en de mensen die het kind omringen spelen een belangrijke rol in de manier waarop die mogelijkheden worden gerealiseerd en in welk tempo dat het gebeurt. De kinderopvang levert hieraan een belangrijke bijdrage.


Het signaleren van ontwikkelingsproblemen is een belangrijke functie van het dagverblijf. De ontwikkeling van de kinderen wordt bij Ons Marieke daarom nauwlettend gevolgd en geregistreerd m.b.v. de observatiemethode KIJK!. Om er zo veel mogelijk voor zorg te dragen dat alle kinderen voldoende voorbereid aan de basisschool kunnen starten wordt aan alle peuters Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) aangeboden. Ons Marieke voert in dit kader het VVE-programma Uk & Puk uit. Indien bij kinderen op basis van observatie op een bepaald ontwikkelingsgebied in meer of mindere mate achterstand wordt geconstateerd ten opzichte van de normaal verwachte ontwikkeling, wordt voor deze kinderen een Tutorprogramma gestart met gerichte extra ontwikkelingsactiviteiten om de geconstateerde achterstand zo veel mogelijk in te lopen. Bij de start op de basisschool en indien anderszins gewenst worden deze gegevens, in overleg met de ouders, met de school uitgewisseld, bij voorkeur via een 'warme overdracht'.

De situatie in het dagverblijf is er verder op gericht om kinderen in een veilige en prettige omgeving de dag te laten doorbrengen. Hierbij wordt zowel in groepsverband als individueel bewust aangesloten op de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt.


In de ontwikkeling van de kinderen vallen de navolgende deelgebieden te onderscheiden:


1. lichamelijke ontwikkeling
2. sociaal-emotioneel ontwikkeling
3. cognitieve ontwikkeling
4. creatieve ontwikkeling
5. ontwikkeling identiteit en zelfredzaamheid

Deze deelgebieden zijn in de navolgende paragrafen uitgewerkt.


3.3. Lichamelijke ontwikkeling
In de leeftijd van 0 tot 4 jaar maken kinderen een grote ontwikkeling door in de motorische vaardigheden. De coördinatie en samen bewegen van romp, armen en benen heet de grove motoriek.

De grove motoriek wordt gestimuleerd door zowel materialen als het dans- en bewegingsspel. Kleine kinderen hebben veel belangstelling voor herhaling, de peuter voelt vooral.
In het kindercentrum zijn uitdagende spelmogelijkheden aanwezig. Het kind moeten kunnen klauteren, glijden en springen waardoor het de eigen mogelijkheden leert kennen. Het kind leert onder meer omgaan met hoogteverschillen en gevaar.


De fijne motoriek omvat kleine bewegingen die coördinatie tussen ogen en handen vereisen. Het kind gaat naar voorwerpen grijpen, pakken, en iets in de mond te stoppen.
De fijne motoriek ontstaat onder meer in het fysieke contact met de leidster en wordt gestimuleerd door materialen als kleurtjes, kralen, insteeknoppen en puzzels.
Bij baby’s wordt dat gestimuleerd door rammelaars en door het doen van spelletjes en babygym.


3.4. Sociaal-emotionele ontwikkeling
Belangrijk aspect van de sociale ontwikkeling is de ervaring hoe het is om samen te zijn met andere kinderen en volwassenen. Door het omgaan met leeftijdgenootjes en leidsters leert het kind de uitwerking van z’n gedrag op anderen dan eigen mensen kennen. Hierdoor leert het kind inzicht te krijgen in zijn eigen gevoelens en leert andere reactie-mogelijkheden.
Tevens leert het kind al vroeg de betekenis van delen, troosten, helpen, rekening houden met anderen en omgaan met conflicten.

3.4.1. Groepsindeling
“Ons Marieke” plaatst de kinderen in principe op de dagen die ouders vragen. Het gevolg hiervan is dat de opvang binnen een week kan plaatsvinden in verschillende (samengestelde of gesplitste) groepen.

Bij de groepsindeling worden de volgende criteria toegepast:

a. de stamgroepindeling: 
- stamgroep 1: alle 0- en 1-jarigen (max. 10 kinderen per groep, zie noot 1 en 2);
- stamgroep 2: alle 2- en 3 jarigen (max. 16 kinderen per groep, zie noot 1 en 2);
- stamgroep 3: alle kinderen van de buitenschoolse opvang (max. 20 kinderen per groep, zie noot 1 en 2);
b. de voorgeschreven leidster-kind ratio;
c. het maximum aantal kinderen in een groep (max. 1 groep per ruimte);
d. het maximum aantal kinderen in een ruimte (min. 3,5 m2 per kind);
e. zoveel mogelijk rust voor de kleinsten;
f. optimale ontwikkeling voor alle kinderen.

noot 1: Bij samengestelde groepen wordt de groepsgrootte berekend conform de wettelijke eisen;

noot 2: Bij overschrijding van het maximum aantal kinderen wordt een extra stamgroep gemaakt.

noot 3: Bij stamgroep 1 en 2 of een samenstelling hiervan kan dagelijks maximaal 3 uur worden afgeweken van de vereiste BKR. Daarbij wordt dan minimaal de helft van de vereiste BKR ingezet. Bij Ons Marieke zijn in dit kader dagelijks de volgense tijdslots bepaald waarin kan worden afgeweken van de vereiste BKR:

- 's-morgens  van 8.30 tot 8.45 uur;

- rond de middag van 12.00 tot 14.00 uur;

- in de middag van 15.15 tot 16.00 uur.

Buiten deze tijden wordt zoals gebruikelijk voldaan aan de BKR. 

3.4.2. Borging sociaal-emotionele veiligheid
De sociaal-emotionele veiligheid wordt gewaarborgd door alle kinderen vertrouwd te maken met alle leidsters. Daarnaast is de schaal van de opvang zodanig dat nagenoeg alle kinderen elkaar kennen. Door de eigen BHV-ers te laten fungeren als achterwacht kunnen de kinderen ook bij calamiteiten altijd rekenen op vertrouwde personen.

3.4.3. Twee-gezichten criterium voor 0-jarigen

Voor 0-jarigen geldt een wettelijke beperking bij de inzet van pedagogisch medewerkers. Aan elke 0-jarige worden daarom twee vaste pedagogisch medewerkers toegewezen. Op de dagen dat het kind komt is altijd minimaal 1 van deze pedagogisch medewerkers aanwezig. Naast het vaste gezicht kunnen wel andere pedagogisch medewerkers worden ingezet. Bij een groepssamenstelling die drie of meer pedagogisch medewerkers vereist kunnen aan de 0-jarige drie vaste pedagogisch medewerkers worden toegewezen.

3.4.4. Drie-gezichten criterium voor kinderen vanaf 1 jaar in de dagopvang

Voor kinderen van 1 jaar en ouder geldt dat tijdens de dagopvang maximaal drie vaste gezichten toegestaan worden bij een groepssamenstelling waar een of twee pedagogisch medewerkers vereist zijn. 

3.4.5. Open deurenbeleid en gezamenlijke activiteiten

Voor wat betreft continuïteit in relaties van kinderen uit een zelfde gezin gaat het kinderdagverblijf zoveel mogelijk uit van wensen en voorkeuren van ouders. Vanuit pedagogisch oogpunt voert het kindercentrum een zogenaamd ”open deuren beleid” waardoor het mogelijk is dat verschillende leeftijdsgroepen met elkaar (leren) omgaan. Kinderen kunnen hiervoor, mits voldaan wordt aan de criteria b t/m f van de groepsindeling, tijdelijk in een andere (stam- of combinatie)groep verblijven. Dit geldt eveneens bij sommige workshops en aan het begin en einde van een dag als er slechts enkele kinderen aanwezig zijn. Bij een workshop met externe begeleiders is altijd minimaal 1 leidster aanwezig.
Wat betreft het ingaan op wensen van ouders moet worden aangetekend dat het qua planning mogelijk moet zijn om hun wensen te honoreren.


3.5. Emotionele ontwikkeling
Het waarnemen en het serieus nemen van gevoelens van de kinderen is belangrijk. Soms is het nodig dat een leidster een bepaald gedrag verbiedt, echter de gevoelens van het kind moet ze accepteren.
De leidster probeert de gevoelens van de kinderen, zoals blijdschap, woede verdriet, angst en onverschilligheid te verwoorden. Zo leert het kind om te gaan met zijn gevoelens, herkent gevoelens van andere kinderen en leert hiermee om te gaan.
Kleine kinderen uiten veel van hun gevoelens door spel. De leiding speelt hierop in en stimuleert dit door bijvoorbeeld fantasie- en rollenspelen. Bij “Ons Marieke” is hiervoor materiaal aanwezig zoals poppen, een winkel, lego/duplo en verkleedkleren.


3.6. Cognitieve ontwikkeling

3.6.1. Taal
De cognitieve ontwikkeling heeft betrekking op de ontwikkeling van taal (begrijpen en spreken) en denken: begrip en inzicht verwerven door de informatie uit de omgeving te ordenen, te onthouden, toe te passen en te combineren met nieuwe situaties. Taal en denken zijn nauw met elkaar verbonden.


Taal is een belangrijk middel om inzicht te krijgen in de omringende wereld. Een kind vraagt en krijgt in taal uitleg en hulp. De leidster speelt hierin een actieve rol door veel tegen het kind te praten en interactief voor te lezen. Zoveel mogelijk wordt op elke taaluitdrukking van het kind gereageerd; van de eerste klanken die de baby maakt tot de vragen en verhalen van de peuter.
Er wordt door de leidster geen brabbeltaal gesproken of nagepraat.
Ter stimulering van de taalontwikkeling organiseert de leidster verschillende activiteiten, zoals zang, taalspelletjes en spelletjes met klanken en geluiden.

Binnen de kindercentra is de voertaal Nederlands, zowel voor de leidsters als de kinderen.

3.6.2. Denken
Spelen en bezig zijn is leren voor een kind. Het kind leert onder meer door voorbeeld en nabootsing. Door allerlei dagelijkse gebeurtenissen te bespreken, ontstaat ordening om de wereld van het kind. De leidster legt daarbij uit, benoemt de dingen en nodigt de kinderen uit om zelf te verwoorden.
Regelmatig doet de leidster een beroep op het vermogen van kinderen om zelf oplossingen te zoeken voor problemen. In het dagverblijf wordt veelzijdig materiaal aangeboden waardoor kinderen bezig kunnen zijn met kleuren, vormen en seizoenen.


3.7. Creatieve ontwikkeling
De leidster stimuleert de creatieve ontwikkeling door het aanbieden van allerlei soorten materialen (water, zand, verf, klei, verkleedkleren en schmink) en activiteiten (muziek, dans en drama)
Voor het kleine kind is het omgaan met materialen een onderzoekende bezigheid. Het leert er de mogelijkheden en de eigenschappen van kennen waarbij het resultaat nog niet belangrijk is.
Creatief zijn kan op vele manieren, bijvoorbeeld door te vertellen en door fantasie- constructie spelen. Het is belangrijk kinderen hierbij gewaardeerd worden en zoveel mogelijk de ruimte krijgen voor hun eigen inbreng.

 

3.8. Ontwikkeling identiteit
Geleidelijk aan wordt het kind zich er van bewust dat het een persoon is, die verschilt van ieder ander. Door het kind positief te benaderen bevordert de leidster het zelfvertrouwen van het kind. Er wordt aandacht besteed aan de persoonlijke verhalen en het kind wordt gestimuleerd zich te uiten en eigen keuzes te maken. De leidster waardeert onderlinge verschillen tussen de kinderen in bijvoorbeeld voorkeur voor activiteiten, tempo en spontaniteit. Daarnaast stimuleert de leidster het identiteitsbesef ook door bijvoorbeeld regelmatig opnoemen van namen en achternamen of door te geven van eigen plekjes of spullen.


3.9. Zelfredzaamheid
De leidster moedigt het kind aan tot zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Dat wat het kind kan proberen mag het in principe ook zelf doen. De leidster zorgt er wel voor dat het kind niet teveel mislukkingen ervaart.
De leidster geeft de kinderen af en toe opdrachten en taken, bijvoorbeeld het opruimen van speelgoed. De opdrachten worden voor het kind duidelijk en overzichtelijk gehouden.


4. Maatschappelijke Bewustwording


4.1. Overbrengen van waarden en normen
Het overbrengen van waarden en normen speelt in de opvoeding van de kinderen voortdurend een rol. Waarden geven uitdrukking aan de betekenis die mensen hechten aan bepaalde gedragingen, dingen of gebeurtenissen. Het zijn ideeën of opvattingen die aangeven hoe belangrijk mensen iets vinden. Waarden zijn onmiskenbaar cultuurgebonden; ze veranderen in de loop van de tijd en variëren van samenleving tot samenleving.
Normen vertalen de waarden in regels en voorschriften hoe volwassenen en kinderen zich behoren te gedragen. De waarde is respect hebben voor elkaar. De norm is dat lijfelijke agressie en pesten niet wordt toegestaan.


4.2. Uitwisselen van waarden en normen
Een kind wordt gevormd door de omgang met volwassenen en andere kinderen. De omgang tussen volwassen en kinderen heeft in de opvang een andere dimensie dan thuis.
De leidster is in eerste instantie beroepsmatig bij de kinderen betrokken. De leidster onderhoudt contact met alle kinderen uit de groep. Daarnaast is er de omgang van de leidster met de groep als geheel. Op beide niveaus is sprake van een voortdurende uitwisseling van waarden en normen in communicatie en interactie. In een groep kinderen is er sprake van een continu proces. Dit vindt voor een gedeelte bewust en onbewust plaats. Tussen de kinderen onderling speelt voordurend wat hoort en niet hoort.
Door middel van taal vindt er onderling een (gedeeltelijke) bewuste uitwisseling plaats van waarde en normen. Daarnaast speelt het non-verbaal uitwisselen en overbrengen een grote rol in de communicatie. Hier wordt zo zorgvuldig mogelijk mee omgegaan.


4.3. Vooroordelen
De leidster is zich bewust van bestaande vooroordelen bij zichzelf en bij anderen omtrent geloof, etniciteit, sociale klasse, sekse en seksuele geaardheid. Zij realiseert zich beïnvloed te zijn door de eigen omgeving waarin zij is opgegroeid.
Over al deze onderwerpen zijn in meer of mindere mate vanzelfsprekendheden ontstaan die discutabel zijn. De leidster probeert kritisch te staan tegenover deze meningen, het gedrag dat daar uit voortvloeit en zich bewust te blijven van eigen vooroordelen.
Bij kinderen wordt actief geprobeerd te voorkomen dat vooroordelen ontstaan, juist omdat kinderen van nature nieuwe dingen open tegemoet zullen treden.


De leidster probeert steeds te reageren op de kinderen zodra ze merkt dat in een spel of in gesprek vooroordelen naar voren komen. Ook is zij actief in het aanbieden van roldoorbrekende speelgoed of het voorlezen of zingen van verhalen en liedjes die de kinderen duidelijk laten zien dat er keuzes zijn buiten de “gangbare” paden. Zij zijn erop attent dat zij op geen enkele wijze negatieve meningen laten horen over bepaalde groepen in onze samenleving. Wel is ze actief in het praten over verschillende groeperingen, met de bedoeling dat de kinderen meer weten en daardoor minder snel geneigd zijn iets gek en daardoor minder waard te vinden.


4.4. Verschillen
Bij “Ons Marieke” zijn kinderen van alle gezindten welkom. Aan speciale gebeurtenissen, die aan een bepaalde levensovertuiging verbonden zijn, wordt op gepaste wijze aandacht geschonken in de groep. Voor zover mogelijk wordt aan de kinderen uitgelegd welke betekenis de speciale gebeurtenis binnen de betreffende levensovertuiging heeft.
Verschillen in de sociale achtergrond komen soms tot uitdrukking in kleding, taal gebruik.
Bij “Ons Marieke” wordt elk kind met evenveel zorg omringd. Het is belangrijk om kinderen geen typisch vrouwen of mannenrol op te leggen. In de opvang is er zowel “jongens” als “meisjes” speelgoed aanwezig. De keuze vrijheid en de eigenheid van het kind staat centraal bij de keuze voor het een of het andere speelgoed.


4.5. Problemen en conflicten
Kinderen worden gestimuleerd zelf hun sociale problemen op te lossen. Wanneer kinderen daarin niet slagen of wanneer steeds hetzelfde kind als “winnaar” of “verliezer” uit de strijd komt, biedt de leidster hulp. De minst weerbaren worden de mogelijkheid aangereikt om met meer kans op succes hun behoeften en wensen kenbaar te maken.
De leidster leert de kinderen rekening met elkaar te houden door voor te doen hoe via overleg tot overeenstemming gekomen kan worden. Kinderen kunnen al vroeg leren voor zichzelf op te komen en daarnaast rekening te houden met anderen. Indien het kind onacceptabel gedrag heeft vertoond jegens een ander, wordt het kind er aan gehouden excuses aan te bieden aan de andere partij.


4.6. Feesten en rituelen
Een aantal gebeurtenissen zoals verjaardagen, afscheid, feestdagen ( Sinterklaas, Kerst en Pasen) verloopt op het dagverblijf volgens een vast ritueel. Door hier op een bepaalde manier mee om te gaan, leren kinderen wat het betekent om bijvoorbeeld jarig te zijn.
Aan vaste gewoontes kunnen kinderen zowel zekerheid als plezier ontlenen. Ook het hanteren van een vaste dagindeling valt te beschouwen als een ritueel.


4.7. Omgaan met rouwverwerking
Het overlijden van een persoon in de directe omgeving is ook voor jonge kinderen heel ingrijpend. Het is het belangrijk dat de leidster op de hoogte is zodat zij zo goed mogelijk kan reageren. Troosten, aanhalen en warmte bieden zijn wezenlijk dingen waarmee je kinderen helpt om hun rouw en verdriet te verwerken. Het is belangrijk om eerlijke informatie te geven die aansluit bij de ontwikkelingsfase van het kind. Ook is het belangrijk om er niet over te zwijgen.


5. Verzorging, gezondheid en veiligheid

5.1. Maaltijden
In eerste instantie wordt voor baby’s tijdens de dagopvang het ritme van thuis overgenomen. Naarmate de kinderen groter worden, gaan ze zich meer op de groep richten. Het gebruik van een maaltijd of een tussendoortje krijgt het karakter van een gezamenlijke activiteit.
Wanneer een kind een speciaal dieet heeft, wordt dit op het dagverblijf gevolgd.
Een van de leuke dingen van jarig zijn is trakteren. Bij voorkeur bestaat deze traktatie niet uit zoetigheid. De leidster kan ouders altijd adviseren bij het bedenken van een gezonde traktatie.


5.2. Slapen
Een kind moet uitgerust zijn om de wereld aan te kunnen, daarvoor is voldoende slaap van belang. Voor baby’s wordt ook bij het slapen het ritme van thuis gevolgd. Dit ritme verschilt per kind en daar wordt op het op het dagverblijf rekening mee gehouden. Naarmate de kinderen ouder worden, ontstaat een groepsritme: alle peuters die gaan slapen, gaan tegelijk naar bed. Of en hoe lang de kinderen ’s middags slapen wordt regelmatig besproken met de ouders. De leidster gaat uit van de individuele behoefte van het kind. 

5.3.Gezondheids- en veiligheidsbeleid

Voor zowel de dagopvang als de BSO worden diverse gezondheids- en veiligheidsrisico's onderkend. Om deze beheersbaar te maken worden/zijn , afhankelijk van de grootte van het risico, onderling afspraken gemaakt, huisregels gemaakt, protocollen opgesteld alsmede bestaande richtlijnen van toepassing verklaard. De belangrijkste richtlijnen in dit kader zijn de Gezondheids-en Hygiënerichtlijnen van het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV), aanwijzingen van het RIVM en de GGD, de Hygiënecode voor kleine instellingen, alle richtlijnen binnen de Gezondheidsmanagementmethode  van het Landelijk Centrum Hygiene en Veiligheid (LCHV), de  Veiligheidsmanagementmethode van de Stichting Consument en Veiligheid (SCV) en de Meldcode voor Huiselijk geweld en kindermishandeling (zie par. 8.7). Om er zo veel mogelijk zeker van te zijn dat conform de van kracht zijnde documenten wordt gewerkt, worden de medewerkers jaarlijks en bij elke wijziging opnieuw gevraagd te verklaren dat zij deze documenten hebben gelezen, begrepen en daar ook naar zullen handelen. Daarnaast wordt jaarlijks een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) uitgevoerd op gebied van gezondheid en veiligheid met behulp van de eerder genoemde Gezondheids- en Veiligheidsmanagementmethoden. De resultaten van de RI&E alsmede de benodigde acties die hieruit voortvloeien worden altijd besproken met het voltallige personeel, de oudercommissies en ter inzage gelegd voor alle ouders.

In de praktijk en uit eerdere RI&E's is gebleken dat de volgende aspecten telkens speciale aandacht behoeven:

a. Infecties en besmettingsgevaar;

b. Volgen overige gezondheidsrichtlijnen;

c. Hygiene-aspecten;

d. Binnen- en buiteninrichting;

e. Voorkomen grote en kleine omgevallen.

De hier genoemde belangrijkste risico-aspecten zijn nader uitgewerkt in de huisregels en zijn permanente agendapunten tijdens werkoverleg.

Het gezondheids- en veiligheidsbeleid richt zich verder uitdrukkelijk op een permanente reductie van risico's waarbij het personeel wordt getraind in permanent risicogericht observeren, denken en handelen tijdens hun dagelijkse werk.

5.4. Ziektes en ongevallen
Alle groepsleidsters zijn in het bezit van een gecertificeerd kinder-EHBO-diploma en weten hoe te handelen in geval van nood. Regelmatig worden door hen trainingen en bijscholingscursussen gevolgd om hun kennis en vaardigheden op peil te houden.
Bij een besmettelijke ziekte, hevig braken of diarree kan het kind de opvang niet bezoeken. Het besluit hierover wordt gebaseerd op de door de GGD uitgegeven richtlijnen.
Wanneer een kind ziek wordt op het dagverblijf worden de ouders of verzorgers daarvan in kennis gesteld. In overleg met de ouders of verzorgers wordt dan besloten welke actie wordt ondernomen. In een noodsituatie wordt uiteraard onmiddellijk de lokale arts gewaarschuwd.
Alle bijzonderheden worden geregistreerd in het dagboek van het kindercentrum.
Ongevallen worden bovendien geregistreerd in een ongevallenregister waarna wordt bezien of deze door aanvullende maatregelen in de toekomst voorkomen kunnen worden.

5.5. Hygiëne
Voor kleine kinderen die nog niet veel weerstand hebben opgebouwd, is een schone omgeving van groot belang. De groepsruimte wordt dagelijks schoongemaakt conform de richtlijnen van de GGD en de huisregels van het betreffende kindercentrum.
Omdat er steeds meer kinderen zijn met een allergische aanleg, maar ook vanwege de hygiëne, is de ruimte zo stofvrij mogelijk ingericht.

5.6. Veiligheid

Het werken met groep kleine kinderen maakt het noodzakelijk dat het materiaal en de inrichting van de groepsruimte voldoet aan de strengste veiligheidsnormen.
Regelmatig wordt de ruimte en de materialen op veiligheid gecontroleerd conform de huisregels van het kindercentrum. Daarnaast wordt de RI&E gebruikt om de veiligheid verder te verbeteren.

5.6.1. Bedrijfshulpverlening
Tijdens de openstelling van het kindercentrum is altijd een bedrijfshulpverlener (BHV’er) aanwezig. Alle BHV-ers staan met hun telefoonnummer vermeld op een lijst bij de ingang van het kindercentrum (Achterwachtregeling). De dienstdoende bedrijfshulpverlener staat vermeld op het personeelsrooster. De overige BHV-ers zijn altijd als reserve oproepbaar.

5.6.2. Vier-ogen-principe

Verder zijn zodanige maatregelen genomen dat Ons Marieke voldoet aan het vier-ogenprincipe. Doel van het vier-ogen-principe is dat het risico op misbruik van kinderen wordt beperkt door te voorkomen dat volwassenen zich binnen een kindercentrum gedurende langere tijd ongehoord of ongezien kunnen terugtrekken met een kind.

Indien volgens de leidster/kindratio of door bijzondere omstandigheden slechts 1 pedagogisch medewerker is benodigd c.q. kan worden ingezet, is er altijd een achterwacht in- of nabij het kindercentrum aanwezig. De rol van achterwacht wordt vervuld door een vrijwilliger, volwassen stagiaire en/of de dienstdoende bedrijfshulpverlener (BHV'er). Aan de randen van de dag worden eventueel stamgroepen samengevoegd om te voorkomen dat een pedagogisch medewerker alleen komt te staan.

Daarnaast wordt permanent gewerkt aan een open professioneel werkklimaat waarbij de drempel om elkaar op bepaalde gedragingen aan te spreken zo laag mogelijk is. Verder is het gebouw zodanig ingericht (zie ook punt 6.2) dat alle aanwezige personen (pedagogisch medewerkers, stagiaires, vrijwilligers en onderhoudsmedewerkers) de werkzaamheden uitsluitend kunnen verrichten terwijl zij gezien of gehoord kunnen worden.

5.6.3. Overige veiligheidsaspecten

Buiten de haal- en brengtijden is het gebouw van binnenuit gesloten. In het kader van de wetgeving omtrent gewelds- en zedendelicten door professionals hanteert Ons Marieke een meldcode (zie ook par. 8.7)

 

6. Accommodatie en inrichting

6.1. Accommodatie
De kinderopvang ruimten zijn ingericht volgens de normen van het Bouwbesluit. De accommodaties zijn speciaal ingericht voor kinderen en biedt daardoor andere mogelijkheden dan de thuissituatie. De groepen hebben de beschikking over eigen groepsruimten, slaapruimte met bedjes, een keuken, kindersanitair, een buitenspeelplaats en een speelweide. Om contacten met broertjes, zusjes, vriendjes en vriendinnetjes mogelijk te maken wordt zoals eerder genoemd een ‘open deuren beleid’ gevoerd. De ruimten zijn dan ook zo ingericht dat, indien de groepsindeling en situatie dat toelaat, kinderen van de ene groep soms kunnen deelnemen aan de activiteiten van een andere groep. Alle ruimten zijn zodanig ingericht dat een stimulerende werking uitgaat op de ontwikkeling van het kind.


6.2. Inrichting
Een belangrijk criterium bij de inrichting van de groepsruimte is overzicht. Overzicht over de ruimte is zowel voor de leidster als voor het kleine kind belangrijk. De leidster moet een zo goed mogelijk overzicht op alle kinderen kunnen houden. Voor de jongste is het belangrijk om oogcontact met de leiding te hebben terwijl ze aan het spelen zijn. Peuters hebben al wat meer behoefte om af en toe in een ”afgesloten” hoekje met elkaar te spelen. Bij de inrichting is rekening gehouden met deze behoeften van de kinderen.
De ruimte is, o.a. door kleur en materiaalgebruik, aantrekkelijk voor kinderen en nodigt uit tot spel.


7. Ouderbeleid


7.1. Samenwerking met ouders
In het dagverblijf wordt een deel van de opvoeding en verzorging van de kinderen overgenomen van de ouders. Dit maakt het nodig om gegevens over de ontwikkeling van het kind uit te wisselen, waardoor wederzijdse inzichten over deze ontwikkeling worden vergroot.
Om kinderen een zo goed mogelijke opvang te bieden is een goede samenwerking met ouders van groot belang. Daartoe dient aan een tweetal randvoorwaarden te worden voldaan:

1. Wederzijds vertrouwen; begrip voor elkaars verantwoordelijkheid, mogelijkheden en beperkingen.
2. Wederzijds respect; respect van de leidster voor de ouders die de eindverantwoording voor hun kind hebben en respect van ouders voor de professionele verantwoordelijkheid van de leiding voor hun kind.


Daarnaast krijgt de samenwerking tussen ouders en leidsters gestalte door:

1. Afspraken tijdens wenperiode. Om de eerste periode in de dagopvang voor het kind zo goed mogelijk te laten verlopen, worden er duidelijk afspraken gemaakt met de ouders. Deze afspraken hebben onder meer betrekking op de opvoeding, de verzorging het ritme en de gewoonten van het kind. Ook worden afspraken gemaakt over afscheid nemen. In de wenperiode wordt aandacht besteed aan de wederzijdse verwachtingen en wordt gevraagd naar specifieke wensen van de ouders.
2. Uitwisselen opvoedingsideeën. Het uitwisselen van opvoedingsideeën maakt het mogelijk om een lijn te volgen in de benadering van het kind. Soms kan een bepaalde benadering thuis succesvol zijn en kan de opvang die overnemen. Andersom kan dat ook gelden. Verschillen in opvoeding en benadering thuis en in de opvang zijn eveneens bespreekbaar.
3. Opvoedingsvragen van ouders. De opvang kan ouders ondersteuning bieden bij de opvoeding. Dit gebeurt in individuele contacten tussen ouders en leidster. De leidster ziet de kinderen de hele dag en heeft zicht op hun ontwikkeling.


7.2. Betrokkenheid ouders
De ouders worden zoveel mogelijk betrokken bij zaken die de dagopvang betreffen. De contacten vinden plaats tussen:


1. De leidster en de individuele ouders. De afstemming heeft betrekking op het eigen kind. Uitgangspunt hierbij is dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van ouders. Als er problemen zijn met een kind wordt in overleg met de ouders bekeken wat het beste is voor het kind. Als de leidster vindt dat de wens van de ouder niet overeenkomt met het belang van het kind en/of de dagopvang wordt dit uitgelegd en wordt geprobeerd hiervoor begrip te kweken bij de ouder.
2. Het kindercentrum en de ouders. “Ons Marieke” draagt er zorg voor dat de ouders informatie krijgen over belangrijke zaken m.b.t. het functioneren van de opvang. Daarnaast worden ouders actief betrokken bij de activiteiten van het kindercentrum.
Algemene informatie over het kindercentrum wordt verstrekt via een periodieke nieuwsbrief.
3. Individuele ouders en de opvang. Ouders kunnen advies geven over zaken die direct van invloed zijn op de kinderen of op de ouders in het algemeen. Vragen, tips en opmerkingen kunnen tevens worden aangedragen via een ‘klantreactieformulier’.


7.3. Uitwisseling informatie
Naast de dagelijkse informatie uitwisseling tussen ouders en leidsters, worden alle kinderen gekoppeld aan een vaste leidster die optreedt als mentor. De mentor houdt de ouders op de hoogte van de sociale, emotionele en lichamelijke ontwikkeling van hun kind en legt alle relevante gegevens vast in KIJK! of indien nodig aanvullend in een schriftje. Ook speciale afspraken rondom het kind worden in dit schriftje vastgelegd. Naar behoefte van de ouders of de mentor, doch minimaal eenmaal per jaar, vindt een evaluatie plaats waarbij de ontwikkeling van het kind en andere van belang zijnde aspecten betreffende de opvang worden besproken. Bij 0-jarigen wordt een reserve-mentor aangewezen die samen met de hoofdmentor een vast team vormt voor elke 0-jarige. Bij BSO-kinderen  is de mentor tevens aanspreekpunt voor het kind.


7.4 Oudercommissie.
Om de belangen van de kinderen en ouders zo goed mogelijk te behartigen is een “Oudercommissie Ons Marieke” ingesteld. Deze commissie bestaat uit maximaal 7 ouders waarbij gestreefd wordt naar een zo evenredig mogelijke vertegenwoordiging van alle leeftijdsgroepen van de kinderen. Naast belangenbehartiging voorziet de commissie “Ons Marieke” gevraagd en ongevraagd van advies en stimuleert samen met het kindercentrum de betrokkenheid van andere ouders waardoor een actieve en in ontwikkeling blijvende samenwerking met het kindercentrum kan plaatsvinden. De oudercommissie voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet Kinderopvang. Doel, samenstelling, taken en bevoegdheden van de commissie zijn vastgelegd in het “Reglement Oudercommissie Ons Marieke” en de werkwijze in het “Huishoudelijk Reglement Oudercommissie Ons Marieke”. Beide reglementen liggen ter inzage in het kindercentrum.

 

8. Overige beleidsaspecten


8.1. Plaatsingsbeleid
Bij “Ons Marieke” wordt opvang geboden aan kinderen van 0 tot 12 jaar.
De mogelijkheid van plaatsing is afhankelijk van een aantal factoren. Zo spelen de leeftijd, alsmede de gewenste dagen een rol.
Ouders kunnen op afspraak altijd het kindercentrum bezichtigen. Er is een voorrangsregeling voor het plaatsen van tweede en volgende kinderen uit hetzelfde gezin.
Om de kinderen voldoende mogelijkheid te geven zich thuis te voelen wordt een plaatsing van minimaal twee dagdelen wenselijk geacht.


8.2. Opvangaanbod
“Ons Marieke” biedt gedurende twaalf uur per dag opvang. De openingstijden zijn op werkdagen van 07.00 uur tot 19.00 uur. Het kindercentrum is 52 weken per jaar open, behoudens op zon- en feestdagen en speciale dagen zoals genoemd in de CAO-kinderopvang.


8.3. Flexibiliteit
In verband met de activiteitenprogramma’s en de rust in de groep wordt de ouders gevraagd om zich zo veel mogelijk aan de breng en haal schema’s te houden

Brengen: 07.00 en 09.00
12.30 en 13.30
Halen: 12.30 en 13.00
16.00 en 19.00

In overleg kan van bovenstaande tijden worden afgeweken.

Extra komen of ruilen van dagen is over het algemeen mogelijk, mits dat het past in de groep en op de aangevraagde dag. Er worden geen kinderen boven de groepsgrootte geplaatst.
Ruilen van dagen moet wel binnen een week plaatsvinden. Extra uren worden extra gefactureerd.
Verder wordt bij “Ons Marieke” de mogelijkheid geboden voor flexibele opvang. Bij deze vorm is het mogelijk om per week te wisselen van dagen of een variatie aan te brengen in het aantal dagen en/of uren dat een kind per week komt.


8.4. Personeel
Met betrekking tot personeel wordt gestreefd naar een zo’n groot mogelijke continuïteit in de bezetting en vaste leidsters op een groep. Bij ziekte en vakantie wordt voor (deskundige) vervanging gezorgd.

8.4.1. Opleiding

Alle beroepskrachten en medewerkers met een bijzondere rol voldoen minimaal aan de wettelijk vereiste opleidingseisen. Pedagogisch medewerkers met een nivo 3 (MBO) opleiding worden gestimuleerd zich bij te scholen naar Gespecialiseerd Pedagogisch medewerker 4 (MBO+). Pedagogisch medewerkers die peuters (2-4 jaar) begeleiden hebben minimaal een gecertificeerde VVE-opleiding genoten, bij voorkeur met het programma Uk & Puk. Tevens geldt voor hen een taalniveau van minimaal 3F.

8.4.2. Stagiaires

Bij “Ons Marieke” wordt ook aan stagiaires de gelegenheid geboden het vak te leren. Door onderlinge kennisoverdracht kunnen de stagiaires hun vakkennis opdoen c.q. uitbreiden en vaardigheid opdoen. Stagiaires worden, tenzij zij reeds een relevante kwalificatie bezitten, altijd boventallig ingezet. Om budgettaire en praktische redenen worden geen plaatsen aangeboden voor studenten die een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) volgen.

Alle stagiaires krijgen een daartoe opgeleide begeleider toegewezen die de student wegwijs maakt, instrueert, begeleidt, observeert en beoordeelt. Op basis van de observatie en beoordeling wordt bepaald welke werkzaamheden door de stagiair verantwoord kunnen worden uitgevoerd en of dit zelfstandig of onder begeleiding mag worden uitgevoerd. Er is daardoor altijd sprake van maatwerk. Het streven is om gedurende een stageperiode minimaal de voor de student door het opleidingsinstituut gedefinieerde eindtermen te bereiken.

8.5. Contact met derden

Voor zover dit in het belang is van de kinderen kan er vanuit de opvang contact gezocht worden met externe instanties. Zo vindt wanneer nodig overleg plaats met een arts, de GGD, de GGZ, basisschool, peuterspeelzaal, opleidingsinstituten voor stagiaires en welzijnsorganisaties.

8.6 Privacystatement
Individuele ouders hebben recht op privacybescherming en zorgvuldige behandeling van alle (in vertrouwen) gegeven informatie. Gegevens worden alleen gevraagd indien deze van belang zijn voor een goede uitvoering van de opvang of noodzakelijk zijn voor administratieve processen en worden alleen gebruikt voor het doel dat vooraf aan de ouders en personeel wordt medegedeeld. Gegevens worden in principe nimmer aan derden verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van tenminste één van de ouders. Ouders worden, behoudens in noodgevallen en in situaties waarbij sprake kan zijn van een ernstige vorm van kindermishandeling, vooraf op de hoogte gesteld indien er over hun kind contact en/ of overleg wenselijk is met derden die niet aan de opvang zijn verbonden (school, hulpverlenende instanties, e.d.). Indien vooraf informeren niet mogelijk is, vindt een terugkoppeling z.s.m. achteraf plaats. Er wordt door de leidsters en andere medewerkers geen vertrouwelijke informatie over kinderen en / of ouders aan andere kinderen, ouders en collega’s in de kinderopvang gegeven.


8.7. Meldcode geweld en kindermishandeling

Kindermishandeling is geen eenduidig begrip. Wat iemand kindermishandeling noemt heeft te maken met eigen normen en waarden, de manier waarop men zelf is opgevoed en de cultuur waarin men leeft. Het is van belang onderscheid te maken tussen kindermishandeling en minder gewenste opvoedingssituaties. Iedere ouder maakt immers wel eens fouten, is wel eens onredelijk of driftig of deelt wel eens een tik uit. Bij kindermishandeling is er echter sprake van structureel, stelselmatig, steeds terugkerend geweld of het ontbreken van zorg van de ouder(s) naar zijn/haar kinderen.

Kindercentra dragen een eigen verantwoordelijkheid voor het signaleren van geweld en kindermishandeling alsmede voor het ondernemen van actie na het signaleren. De signalen moeten worden doorgegeven aan de instanties die hulp kunnen bieden aan het gezin. De leidsters hebben hierin een duidelijke taak. Zij zien de kinderen regelmatig en kunnen opvallend of afwijkend gedrag signaleren. Nadat zij signalen hebben opgemerkt is het ook hun taak actie te ondernemen waarna een vast protocol wordt gevolgd. Binnen Ons Marieke wordt in voorkomend geval de van de Brancheorganisatie Kinderopvang afgeleide Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Ons Marieke gevolgd.

Deze meldcode is in 2018 geactualiseerd naar het Basismodel Meldcode en het Basisdocument m.b.t. het afwegingskader binnen de Meldcode, beide uitgebracht door het Ministerie van VWS. De handreikingen en instructies uit de oude Meldcode en bijbehorende Handreiking blijven van kracht, behoudens het verbeterde stappenplan. De meldcode ligt ter inzage in het kindercentrum.

8.8. Klachtenregeling
Eventuele problemen en/of klachten over de opvang of personeel kunnen in eerste instantie aan de betrokken medewerker worden gemeld. Is de betrokken medewerker niet bij machte en/of bevoegd de klacht af te handelen, dan wordt de klacht voorgelegd aan de houdster van het kindercentrum c.q. (plv)hoofdleidster die, na horen van betrokken partijen, haar conclusie(s) individueel met de ouder(s) bespreekt. Indien de betrokken ouder(s) zich niet kan/kunnen vinden in afhandeling van de klacht, kan de klacht schriftelijk (eventueel via het klantreactieformulier) worden ingediend bij de interne klachtencommissie van Ons Marieke, bestaande uit de vestigingsmanager, een niet bij het incident betrokken leidster en, voorzover dit niet op bezwaar stuit van de klager, een lid van de oudercommissie. De interne klachtencommissie brengt advies uit aan de houdster die hierop haar definitieve standpunt bepaald. Indien de ouder(s) zich niet kan/kunnen vinden in dit standpunt, kan beroep worden aangetekend bij een externe klachtencommissie, i.c. De Geschillencommissie Kinderopvang, Postbus 90600, 2509 LP Den Haag, telefoon 070-3105310 of via de website www.degeschillencommissie.nl.

Oudercommissies kunnen eveneens gebruik maken van de interne klachtenregeling. Indien een oudercommissie zich niet kan vinden in een definitief ingenomen standpunt van de houder, kan zij eveneens extern beroep aantekenen bij De Geschillencommissie Kinderopvang.

De reglementen en overige gegevens van de interne en externe klachtencommissies zijn te raadplegen via de websites www.onsmarieke.nl resp. www.degeschillencommissie.nl/media/2212/knd-reglement.pdf en liggen tevens ter inzage in het kindercentrum.


***********************************************